Razzia

authentiek over wijlen mijn vader Piet

 

 

Piet

 

Piet woonde en werkte in de tweede wereldoorlog in Rotterdam. Hij woonde er alleen nadat hij zijn vrouw en 3 kinderen

 in de zomer van 1944 naar Friesland had gebracht. Zijn woonhuis stond in Blijdorp, een aparte naam voor een wijk

 waar hij sinds zijn intrek niet veel plezier had beleefd, niet veraf van de huidige diergaarde

. In dat Blijdorp had hij het afschuwelijke bombardement op 10 mei 1940 van verre kunnen zien dat het

 centrum van de stad had getroffen. In zijn kantoor aan de Boompjes zag hij uit over de Maas,

 vlak bij de toenmalige Maasbruggen. Nederlandse troepen hebben begin 1940 nog een tijdje vanuit zijn kantoorgebouw

 de Maasbrug in het vizier gehouden. Na het bombardement echter toen de Duitse colonnes vanuit het zuiden

 over die brug via Rotterdam naar Den Haag optrokken verlieten die soldaten ijlings zijn kantoor om het vege lijf te redden.

 

Eind september 1944 kreeg Piet plotseling een bericht met de vraag om naar zijn vrouw en

 kinderen in Friesland af te reizen want zijn vrouw Olga lag op sterven in Sneek.

 Ze had besmet vlees gegeten van een paard dat door een kist van een nachtelijke Engelse wapendropping was gedood

 en dat verdeeld was door ondergrondse strijdkrachten onder burgers. Olga had paratyphus opgelopen door het besmette vlees te eten

 en lag nu te ijlen vlak voor de dood. De artsen zagen nog één redmiddel voor haar: een directe confrontatie met haar man

 die zoals gezegd in Rotterdam voor het gezin de kost verdiende. Dus reisde Piet diezelfde dag nog ijlings af naar Amsterdam om

 via de nachtelijke oversteek met de Lemmerboot over het IJsselmeer naar Friesland te reizen.

 Hij trof haar de volgende dag in het St Antoniusziekenhuis in Sneek, ze was al klinisch dood maar op een onverklaarbare wijze

 kreeg ze bij het weerzien met Piet een ongekende huilexplosie, waarop de artsen hadden gehoopt en dat haar uiteindelijk van de dood redde.

 Piet, die Godvrezend was, zag dit als een gebedsverhoring.

 Hij bleef enige tijd bij haar en de kinderen, maar moest toen weer aan het werk in Rotterdam. En toen gebeurde het.

 

Heel de herfst had hij al een vaag voorgevoel dat er iets bijzonders zou gaan gebeuren.

 Op 10 november 1944 in de vroege ochtend werd hij in zijn slaap verrast door nogal wat herrie in de straat.

 Er reden vrachtauto’s met Duitsers de straat binnen en sommige soldaten schoten met scherp in de lucht. Er werd op de bel gedrukt

 en hij kreeg een vlugschrift onder ogen met de mededeling dat hij zich snel moest melden op het sportterrein Nenijto

 met medeneming van een koffer met spullen, sokken, pyjama, scheergerei, een stevige jas en een paar schoenen.

 Buiten op straat zag hij diverse buurmannen met hun koffer al klaar staan bij een groepje soldaten die op het punt stonden hen

 naar het sportterrein te brengen. De mannen keken doodstil voor zich uit en Piet sloot zich met z'n koffer bij hen aan,

waarna ze als geslagen honden naast hun bewakers begonnen te lopen naar de Nenijto atletiekbaan. Voor hij en de anderen de straat verlieten

 keek Piet nog even om, naar boven naar het balkon op de eerste verdieping waar Olga elke ochtend voor de oorlog had staan zwaaien als hij naar kantoor ging.

 Door de herinnering daaraan moest hij even een traantje wegpinken. Lang had hij niet om over het verleden na te denken

 want plots klonk er in de richting waar ze naar toe liepen in de stille ochtend een geweerschot en luide kreet.

 Piet en de mannen bij hem trokken wit weg, keken elkaar veelzeggend aan maar kregen van de Duitsers toegesnauwd:

 "Voraus, schneller laufen". Na een afstand van om en nabij vijfhonderd meter

 zagen zij bij de ingang van het atletiekterrein een lijk op de grond van een man met een verse schotwond in het hoofd,

 waaruit nog bloed stroomde. Later hoorde Piet dat deze man had geprobeerd te vluchten.

 Op het terrein zelf zag Piet al heel wat mannen met hun koffertjes in groepjes bij elkaar zachtjes staan praten en tussen hen

 door patrouilleerden Duitse soldaten met het geweer in aanslag om ieder neer ter schieten

 die ervoor door wilde gaan. Na de aanblik van het lijk bij de ingang had niemand daar enige interesse in.

 Met ingehouden adem wachtten de mannen de verdere gebeurtenissen af, terwijl van verschillende kanten het terrein volliep.

 

Om een uur of elf ging de Duitse commandant in het midden van de atletiekbaan op een verhoging staan

 en riep via een tolk dat het de bedoeling was dat de mannen in Duitsland te werk werden gesteld als Arbeitseinsatz.

 In twee etappes moest naar Utrecht worden gelopen, de eerste dag vandaag naar Gouda.

 Daar zou overnacht worden in scholen en fabriekskantines en de volgende dag moest Utrecht lopend bereikt worden.

 Na overnachting in het Tivolitheater in Utrecht zou de colonne de derde dag per trein naar het Ruhrgebied in Duitsland afreizen.

 Per gewerkte dag zou iedere man vijf gulden ontvangen. Om kwart over elf precies zette de colonne

 zich in beweging om via Kralingen de weg naar Gouda op te gaan.

Piet voegde zich net als de anderen in zijn lot en begon in een groep van vijftig man door de straten van Rotterdam te lopen.

 De Duitsers hadden enkele honden- en handkarren geconfisceerd om zieken op te vervoeren want iedereen moest mee om te werken.

 Om schrik in te boezemen en ontvluchten tegen te gaan schoten de Duitsers regelmatig met scherp in de lucht

. Aan de kant van de weg stonden op regelmatige afstand vrouwen en kinderen te wuiven, sommigen met tranen in de ogen.

 Soms liepen kinderen een eindje mee naast de stoet op het trottoir. Net buiten Rotterdam begon Piet ondanks dat hij sportief

 getraind was en over een goede conditie beschikte zijn voeten al snel te voelen met diverse blaren omdat zijn schoenen

 in slechte conditie en bijna versleten waren, zoals bijna bij ieder ander. Sommigen liepen al te kreunen door de pijn aan hun voeten

 en halverwege Rotterdam Gouda kwam bij sommigen zelf bloed uit de schoenen. Anderen probeerden op de ziekenkarren te klimmen

 en zo enige tijdelijke verlichting voor hun voeten te vinden. Maar de Duitsers bleven onverbiddellijk.

Ieder die kon lopen, moest lopen. Na de intocht in Gouda kwam de stoet terecht in smalle straatjes waardoor

 het voor sommigen lukte te vluchten door snel via steegjes achter de huizen te schuilen.

 Maar Piet, die ook best wilde vluchten, had de overtuiging dat hem een andere mogelijkheid zou worden geboden.

 Dus voegde hij en met hem vele anderen zich in de situatie. Ze overnachtten in een school en de volgende ochtend na een onrustige nacht

 zette de stoet zich in beweging naar Utrecht. De karren werden steeds voller met zieken en gewonden.

 Af en toe werd iemand die het teveel werd en psychotisch begon te schreeuwen in koele bloede neergeschoten.

 Aan het einde van de tweede dag werd Utrecht bereikt en kregen de resterende mannen onderdak in theater Tivoli.

 Toen Piet daar even naar het toilet moest in de gang liep een vrouw naar hem toe die zachtjes aan hem en enkele anderen toefluisterde:

 "Wie wil van jullie ontsnappen, ik weet als schoonmaakster hier een mogelijkheid".

Piet hoefde zich geen moment te bedenken en zei zacht:"Ik wil wel".

 

 

De schoonmaakster stelde zich voor als Elly en zei tegen Piet:"Als je naar het toilet bent geweest,

 ga dan via de trap rechts naar beneden naar de kelder. Daar wacht ik op jou en anderen die ook willen ontvluchten".

 Piet deed daarom snel z'n boodschap en sloop daarna tussen de enorme massa mannen en chaos via de trap naar beneden.

 Intussen kwamen allerlei vragen en gedachten in hem naar boven: "Zou hij het wel wagen? Was Elly wel te vertrouwen?

 Was dit een reële kans om aan het transport te ontkomen? Zou hij z'n vrouw en kinderen nog ooit terugzien?

 Wat als de Duitsers hem te pakken kregen? Olga had afgelopen zomer de paratyphus overleefd en was ontsnapt aan de dood.

 Zou deze kans een mogelijkheid zijn voor hem om ook aan een wisse dood in het Ruhrgebied te ontkomen?

 Dagelijks vlogen immers op grote hoogte de Engelse en Amerikaanse vliegende forten en bommenwerpers over van Engeland

 op weg naar o.a. het Ruhrgebied om fabrieken en steden plat te gooien, fabrieken waar hij naar toe op weg was als Arbeitseinsatz.

 Had hij wel een keuze of was het simpel doen wat Elly zei?" Beneden stond Elly hem en de anderen in de donkere keldergang al op te wachten.

 Ze bleken naast haar met z'n negenen. Snel deed Elly de deur van een kelderruimte open waarin ze één voor één verdwenen.

In de hoek zag Piet half verduisterd een verzameling oude theaterstoelen. Elly stelde voor dat ze zich zouden verschuilen achter die afgedankte stoelen

 en zich rustig zouden houden. De mannen zochten toen hun positie op om daar de nacht door te brengen.

 Enkele ogenblikken later hoorde Piet de sleutel omdraaien en vernam hij boven zich het heen en weer lopen van de mannen in het theater.

 Uiteindelijk werd het in de loop van de avond stil en probeerden de negen in de kelder zo goed en kwaad als het ging wat te rusten en te slapen.

 In hun ruimte drong geen daglicht door zodat ze moesten gissen hoe laat het was.

 

Na een onrustige nacht waarin Piet af en toe tot God bad, kwam er onverwachts een einde

 aan hun gissen hoe laat het was, want ze hoorden plotseling Duitse soldaten schreeuwen

 "Mach diese Tür auf, Wo ist der Schlüssel?" en met hun geweerkolven stevig op de kelderdeuren slaan.

 Dit kwam hard aan voor Piet en de anderen. Maar plots klonk er nog een andere stem, die van Elly, die de soldaten luid toeriep:

"De sleutel is bij de directeur." Die was natuurlijk in geen velden of wegen te vinden,

 zodat het na ongeveer tien minuten stil werd in de kelder. De soldaten dropen af.

 Later liepen de andere mannen die boven in de grote zaal hadden overnacht het theater uit en viel het overal stil

. Een half uur later hoorde Piet dat de sleutel van het slot werd omgedraaid en stond Elly in de deuropening met een tas

 met boterhammen en een pot koffie en bekers. Nadat ze hun honger wat hadden gestild zei Elly dat zij de mannen

 in groepjes van twee naar haar huis wilde brengen. Daar wachtte haar man hen op,

 die in de ondergrondse werkte en contacten bezat om voor elk van de mannen een nieuw persoonswijs te laten maken.

 Dus liep Piet na verloop van tijd samen met een andere man uit Rotterdam achter Elly aan door de straten van Utrecht naar haar huis.

 Daar wachtte hem een nieuwe verrassing want toen hij vertelde dat hij graag naar Friesland wilde waar immers

 zijn vrouw en kinderen verbleven, werd hij aangesteld als begeleider van een debiel kind dat toevallig van Utrecht

 naar Franeker gebracht moest worden waar zoals toen genoemd een gekkenhuis stond. Dus ging Piet na wat extra geslapen te hebben

 om bij te komen van de spanningen de volgende dag samen met dat kind in een auto op weg naar Franeker via de Wieringerwerfpolder.

 De auto moest onderweg niet alleen stoppen bij de talrijke Duitse controles maar er moest telkens cokes en hout

 in de brander/vergasser worden bijgestort, want door gebrek aan benzine reed de auto op een gasbrander.

 Hij hield telkens zijn hart vast bij de wegcontroles door Duitse soldaten, maar die waren nogal soepel toen zij via het open raam

 het debiele kind zagen zitten en de papieren van Piet in orde bleken te zijn. Piet kon zijn ogen niet geloven

 hoe het één en ander zich voor zijn blik afspeelde. Hij werd nog verbaasder toen het debiele kind vlak voor de afsluitdijk

 plotseling een vers van een Psalm begon te zingen: "Het hijgend hert der jacht ontkomen, schreeuwt niet sterker naar 't genot van de frisse waterstromen,

 zo verlangt mijn ziel naar God." Toen Piet dit hoorde ging hij bijna door de bodem van de auto en schoten

 zijn ogen vol tranen. Hij kende die Psalm uit zijn hoofd en had die regelmatig in de Prinsenkerk

 aan de Statensingel in Rotterdam met Olga samen gezongen. Het was alsof God zelf op directe wijze via dit debiele kind hem troostte

 want hij was het eigenlijk toch zelf die als een hert ontkomen was aan de onmenselijke Duitse jacht en razzia.

Op de afsluitdijk moest de auto met Piet en het kind nog langs diverse controleposten, maar na een zenuwslopende autorit stopte de auto

 voor de inrichting in Franeker en stapten Piet en het kind uit. Daarop keerde de auto om en reed weer terug naar Utrecht.

 Piet liep samen met het kind naar de ingang van de inrichting, waar hij vertelde dat hij naar Bolsward wilde waar Olga en de kinderen

 bij zijn schoonouders woonden. De concierge had alleen nog de beschikking over een klein kinderfietsje

 en gaf dit aan Piet. Hij wenst hem goede reis en bleef in de ingang hem uitzwaaien.

 

Onderweg van Franker naar Bolsward reed Piet dus op een klein kinderfietsje eenzaam

 over de slingerende wegen tussen de weilanden. Eén keer dook hij in paniek met fiets en al in een greppe

l toen hij in de verte een vliegtuig hoorde aankomen, een Engelse jager die als bescherming met de vliegende forten meevloog.

 Uiteindelijk bereikte hij Bolsward en kwam er een gevoel van opluchting en dankbaarheid in hem op.

 Een paar straten verder stond hij plots voor de deur aan de Turfkade waar Olga verbleef. Groot was de verbazing toen de bel ging en Piet in de deuropening stond.

 Hij stormde bijna naar binnen en werd door Olga, de kinderen en zijn schoonouders aangekeken als een spook.

 Toen heeft hij het hele verhaal van de razzia, de ontsnapping in Utrecht en de autotocht met het debiele kind aan zijn gezin verteld,

 waarbij zijn eigen drie kinderen ademloos aan zijn lippen hingen. Piet is tot de bevrijding in Friesland gebleven

 en beleefde Kerst 1944 als een onvergetelijk feest van dankbaarheid en bevrijding. Later kwam de echte bevrijding, ook van Rotterdam in mei 1945.

 In de zomer van 1945 is Piet nog met een cadeau naar Utrecht afgereisd om Elly en haar man op te zoeken, hen te bedanken

 en het cadeau aan hen te overhandigen. Na enig zoeken en vragen vond hij Elly en haar man in Utrecht.

 Groot was zijn verbazing dat Elly bij die gelegenheid zei: "Jij bent tot nu toe de enige van de vele mannen

die geholpen zijn, die terug is gekomen om ons te bedanken en iets terug te geven."      

 

= = = =

  F.O. dec 2006 geschreven voor een Kerstviering

 

terug