Geschreven op de ochtend van 11 September 2001

 De parelvisser

 Ik zag een klein dorpje aan een baai met vele mensen op en rond het strand. Het was tegen zonsondergang en jong en oud keken naar de vuurrode stralen van de ondergaande zon bij heldere hemel. Een schitterend vergezicht voor zoekende ogen. Uit de menigte maakte zich vlak voordat de zon aan de horizon in de golven verdween een kleine gebogen man los. Het was de parelvisser van het dorp. Ieder kende hem en allen mochten hem graag.

 Hij woonde met vrouw en twee kinderen enkele straten achter het strand en hij ging op zoek naar zn kleine ranke bootje om uit te varen op zee. Nu vanavond kon het. Het was rustig kalm weer met een spiegelvlakke zee. Nu durfde hij zijn gewaagde avontuur aan om tussen de rotspartijen buiten op zee ver van het strand af te dalen naar diep water om zeeparels te vangen. De andere vissers wilden meestal zo snel mogelijk tussen de rotsen doorvaren, bang als ze waren hun schip lek te varen bij een onzichtbare rotspartij.

 Terwijl de man met zn bootje op weg was naar zijn speciale plekje, keek hij nog eens om. Hij zag de vele mensen op het strand en hoorde over het water de schelle muziek uit de talrijke bars waar velen die avond hun plezier zouden zoeken. Hij kende elke plekje op het strand en had elke bar wel eens bezocht, maar had al jaren geleden van zijn vader een ander plezier geleerd: kostbare parels vissen op een diepte waar andere mensen zich niet waagden. Het had lang geduurd voor hij de kunst meester was om telkens vier minuten onder water te blijven zonder hulpmiddelen. Alleen droeg hij telkens een kleine helm op zijn hoofd met een onderwaterzaklantaarn erin om de oesters goed te kunnen zien op de grote diepte. Zijn vader had de jonge zoon dit soort vissen met eindeloos geduld geleerd.

 Nu ging hij elke week minimaal n keer zonder zijn vader, die helaas enkele jaren geleden overleden was, naar de diepe oesterschelpen met hun prachtige parels. Elke keer vroeg hij zich af of hij juist op deze avond de gigantisch grote zilverwitte parel zou vangen waarvan hij regelmatig droomde. Wel was hij iedere keer tevreden met zijn vangst van gemiddeld 50 kleine zeeparels, maar die grote parel van zijn dromen gaf hem steeds de kracht om door te gaan. Eens zou en moest hij die tegenkomen. Wat zou het een dag zijn als hij die mocht vangen en aan land brengen. Hij zag in zijn verbeelding drommen mensen op het strand zich verdringen om een glimp op te vangen van die immens grote zilverwitte parel die juist hij bij zich had. Wat zouden zijn vrouw en kinderen trots op hem zijn.

 Wat hij die avond niet wist was dat er de vorige dag haaien waren gesignaleerd buiten de kust. De vissers van het dorp hadden met steeds modernere middelen en steeds grotere netten ervoor gezorgd dat de dagelijkse porties vis voor de haaien steeds kleiner geworden waren. Daarom zochten de haaien, hongerig als ze waren, andere prooien bij de kust.

 De visser kwam na een half uurtje varen bij zn plekje aan. Hij deed de helm met zaklantaarn op zijn hoofd, zette de lamp aan en greep in zijn rechterhand het mes dat hij nodig had om de oesterschelpen los te kunnen snijden van de bodem waarop ze groeiden en vastzaten.

 Na een laatste inspectie van zijn bootje nam hij zijn eerste diepe ademhaling en dook in het diepe zwarte water met krachtige zwembewegingen naar beneden. Na elke twee slagen was hij weer een meter dieper. Stil telde hij voor zich af: Tien slagen, twintig, dertig, veertig, daar zag hij de bodem bedekt met oesters. Ogenblikkelijk begon hij de donkere schelpen van de rotsbodem af te snijden en daarna in de kleine jutezak te duwen om zijn middel. Meter voor meter zocht hij af. Plots echter zag hij achter een scherpe kleine rots een schelp met een grootte die hij nog nooit eerder had gezien. Wat was dat een dikke, wat een grote! Zou deze oester zijn droom juist vandaag eindelijk doen uitkomen? Met een sterke ruk van het mes sneed hij de oester van de bodem en stopte deze behoedzaam in de zak om zijn middel. Wat hij evenwel niet merkte was dat zijn arm gewond was geraakt bij de scherpe kant van de rots die zijn elleboog net had geraakt. Een klein bloedspoor liet hij nu achter zich. Hij bleef nog even op de zoekplaats maar wilde weldra met zijn veronderstelde schat naar boven en de oesterschelp openen om zijn inhoud te kunnen bekijken.

 Nog maar nauwelijks onderweg naar boven keek hij intuitief even opzij en zag tot zijn schrik een lange schaduw op zich afkomen. Wat was dat? Het leek wel een dolfijn of misschien wel Neen toch, het was een gevreesde vraatzuchtige haai, aangetrokken door het geringe bloedspoor achter de kleine parelvisser.

In een reflex trok hij zijn mes in de richting van de vis en scheen met de lamp naar de aankomende moordenaar. Die leek geschrokken van het verblindende licht en boog naar links af. Nu zag de kleine visser de grote afmeting van de haai aan zich voorbijgaan. Wat een grote bek en wat een grote rij boven- en ondertanden! Niemand zou de beet van zon beest overleven. Achter de eerste vis ontdekte hij nog twee kleinere haaien, misschien wel jongen van de oudere haai. Wat een schrik en paniek kreeg de kleine man. In een flits ging zijn leven aan hem voorbij. Zou hij ooit levend boven water komen? Zou hij zijn vrouw en kinderen nog terugzien? Zou hij een gevecht met drie haaien kunnen overleven? Hoe zou hij ooit de grote zilverwitte parel die hij juist dacht gevonden te hebben, aan land kunnen brengen? Plots kreeg hij een idee. Hij hield zich zo rustig mogelijk en draaide zich langzaam met zijn lantaarn en mes in de richting van de vissen. Die gingen over tot het zwemmen van rondjes rond hun prooi om de uiteindelijke aanval in te zetten. Intussen bad de oude man in stilte tot God, die hem alleen in deze benarde situatie nabij bleef. Niet lang daarna zag hij opnieuw de grootste van de drie met wijdgeopende bek op zich afkomen. Op het moment echter toen de haai wilde toehappen maakte de visser met zijn lenige lichaam een plotselinge draai naar rechts en sneed met al zijn kracht met het vlijmscherpe mes in de volle lengte van de zijkant van de haai die langs hem zwom. Daarna wierp hij zijn mes weg en bewoog met zwembewegingen zeer snel naar boven. Buiten adem bereikte hij na enkele zwemslagen zijn bootje dat gelukkig nog op dezelfde plaats lag. Hij wist zich gered, dankte God en keek nog even terug met zijn zaklantaarn naar beneden. Daar zag hij onder water een wild tafereel met rood gekleurd water en hoe de grote haai in korte tijd door de andere twee geheel verslonden werd.

Diep dankbaar bracht hij zijn bootje weer terug naar het verlaten strand. Daar opende hij de grote oesterschelp en toen bleek dat zijn droom uitgekomen was. Hij schreeuwde het uit van plezier. Nog nooit had hij zon grote zilverwitte parel gezien. Hij heeft tot diep in de nacht zijn vrouw en kinderen dit hachelijke avontuur met zijn doodsangst moeten vertellen. Zijn kinderen bleven intussen de parel maar zachtjes aaien met hun kleine handjes: de parel die hun vader bijna het leven had gekost.

F.O. 11-9-2001

terug