Kerstverhaal

 

 

Henk

 

Henk, een man van 40 jaar en vader van 5 kinderen, was ver van huis. Hij stond mager, bang en hongerig in de laatste oorlog met knikkende knieën in een kale schokkende treinwagon zonder zitbanken, eigenlijk meer een veewagon voor koeien en paarden, tijdens een donkere nacht op weg naar Duitsland op 23 december 1944. Telkens flitste kort het batterijlicht aan van de Duitse soldaat, één van zijn bewakers, tegenover hem. Die bescheen even hem en de bleke, bange gezichten van zijn andere medegevangenen. Op de vloer van de wagon lag nat stro, waarop sommigen mannen moe tegen elkaar aan lagen in de hoop in de ijskou nog een beetje warm te blijven. Henk echter stond in het treinportaal met zijn rug tegen een binnenwand en kon in het duister nauwelijks zien hoeveel mannen om hem stonden of lagen. Hij merkte een regelmaat op in het aan- en uitgaan van het licht en telde de seconden van de lichtpauzes: vierentachtig, vijfentachtig, zesentachtig…. daar flitste de lamp weer aan. Hij merkte dat de soldaat met zijn batterijlamp naast de gezichten van de mannen alleen de treindeur aan de stationskant, aan de  rechterkant van de trein kort verlichtte. Was hij bang voor een ontsnapping van mannen aan die kant? Ook bemerkte Henk na enige tijd dat de lichtsterkte van de lamp van de soldaat langzaam aan minder werd. Blijkbaar had de batterij last van de kou in de coupé en gaf daardoor steeds minder stroom. Henk echter keek minder naar de lamp maar wel steeds in één richting naar één en dezelfde plaats. 

 

Hij ging terug in zijn gedachten naar de ochtend van die dag toen de Duitse soldaten hem en zijn buurman ruw uit hun huis hadden gehaald in Deventer om op transport gesteld te worden naar Duitsland om daar in de oorlogsfabrieken als dwangarbeider te moeten werken. Het had die nacht tevoren juist heel veel gesneeuwd. Met ingehouden tranen dacht hij terug aan het droevige afscheid van zijn vrouw Anneke en hun vijf kinderen. Wat graag had hij samen met hen het Kerstfeest willen vieren op 24 en 25 december, maar nu was die droom ruw verstoord door Duitse soldaten met hun dreigende geweren en gezichten. Hij moest en zou mee en was op een open vrachtwagen in de ijzige winterkou met vele anderen naar het station gebracht en met geweld in de treinwagons geduwd.

 

Wat hadden hij en zijn buurman graag willen ontsnappen, maar dat was onmogelijk. Overal waren Duitse soldaten en geweren. Sommigen knalden erop los en schoten met scherp in de lucht om Henk en zijn medegevangenen bang te maken en te houden. De Duitsers hadden in Duitsland hulpkrachten nodig in hun fabrieken om kanonnen, tanks en granaten te maken voor hun frontsoldaten.

 

Henk verafschuwde de gedachte om voor de vijand te moeten werken maar hij was het meest bang om door de bommen van de geallieerde vliegtuigen gedood te worden, die immers dagelijks over hun huis in Deventer vlogen op weg naar Duitsland om hun bommenlast in het Ruhrgebied op de fabrieken te gooien, juist op de fabrieken waar Henk nu op transport naar toe was om te werken. Het zou toch niet waar mogen zijn door Amerikaanse bommen in een Duitse fabriek gedood te worden?

 

Stil stond Henk na te denken in het donker van de koude treinwagon. Hij dacht aan zijn Anneke en hun kinderen. Hij dacht aan het komende Kerstfeest. Zou hij zijn gezin ooit nog terugzien? Waar zou hij met Kerst zijn? In de schuilkelder van een wapenfabriek? Hoelang zou hij in Duitsland nog kunnen werken en leven? Zou hij kans hebben het einde van de oorlog te bereiken en beleven? De Amerikanen en Engelsen hadden immers in september toch bijna de brug bij Arnhem veroverd? In de komende lente zouden die stellig de rest van Nederland, dus ook Deventer gaan bevrijden.

 

In het duister van de nacht luisterde hij naar het regelmatige geluid van de wielen op de rails. Kaboem, kaboem, kaboem, kaboem …. Af en toe hoorde hij in de nacht geschreeuw en schieten buiten van soldaten op de laatste platte wagon van de trein, waarop een mitrailleur met een zoeklicht was geplaatst. Door hun dreigementen probeerden die soldaten de gevangenen in de trein te intimideren en ervan te weerhouden om uit de trein te springen en proberen te vluchten.

 

Henk stond stil te bidden, want hij was vreselijk bang. Maar ondanks zijn angst hij was vast besloten tot één ding: voordat de trein de Nederlands-/Duitse grens bereikte wilde hij ten koste van alles eruit. Hij wilde niet naar die fabrieken. Hij wilde niet voor de vijand werken en kanonnen maken die gebruikt zouden worden tegen bevrijdende Amerikanen.

 

Hij wilde terug naar huis, naar Anneke en hun kinderen. Maar hoe zou hij uit deze trein kunnen ontsnappen? Hij wikte, rekende, telde de seconden en keek steeds in die éne richting. Hij dacht diep na en berekende zijn positie in het treinportaal en schatte het aantal stappen tot de deur aan de linkerkant. Rechts moest hij vergeten, maar links lagen kansen voor hem. Maar waren het wel echte kansen? Zou hij de roestige deurhendel wel op tijd naar beneden krijgen? Zou de soldaat hem niet direkt bij zijn eerste beweging naar de deur doodschieten?

Zou hij niet bij het aan de linkerkant uit de trein springen door een tegemoetkomende trein worden verpletterd? Zou hij de val op de rails ernaast overleven? Zou deze trein misschien stoppen? Wat als de mitrailleursoldaten op de laatste wagon hem op de spoordijk in het vizier kregen? Was het eigenlijk niet een dwaas plan om te willen ontsnappen en zijn leven in de waagschaal te stellen? Zijn bewaker stond immers zo dicht bij hem met zijn pistool op scherp. Henk keek op zijn horloge en zag dat ze al vier uren onder weg waren. Waar zou de trein op dit moment zijn? Nog in Nederland? Al over de Duitse grens?

 

Plotseling hoorde hij de Duitse bewakingssoldaat vloeken toen de batterij steeds minder electriciteit bood en de lamp bijna geen licht meer gaf. Hij zag hem de zwakbrandende zaklantaren op een wandasbakje leggen en in zijn zakken zoeken naar een nieuwe batterij. Was dit soms zijn moment? Was dit zijn kans? Henk, “dit is jouw moment, grijp je kans”, kwam als een sterke gedachte in hem naar boven. Het is nu of nooit!

 

Hij bedacht zich dus geen ogenblik. In een flits zag hij de oplossing. Hij liep toch naar de rechterdeur omdat hij snel langs de wand van de spoordijk in de dikke sneeuwlaag naar beneden wilde rollen en zo snel mogelijk uit het zicht van de mitrailleursoldaten in de laatste wagon wilde verdwijnen. Nu greep zijn hand de deurhandel, duwde die met alle kracht naar beneden, stond een kort moment later op de treeplank in de ijzige wind en sprong met zijn laatste krachten naar beneden op de spoordijk. Au, wat deed zijn knie pijn! Vlug, dacht ie, bukken. Daar hoorde hij de soldaat al schreeuwen: Halt, halt. Niet aan de pijn denken, dacht ie. Naar beneden, langs de wand van de spoordijk. Snel rollen naar de greppel, blijf stil liggen, dacht ie. Diep onder de sneeuw. Hij hoorde de laatste wagons van de lange trein aan zich voorbij gaan. Flitste daar niet het zoeklicht aan? Zou zijn soldaat alarm slaan, aan de noodrem trekken en de trein laten stoppen? Zouden de mitrailleursoldaten zijn bewaker hebben gehoord en het zoeklicht aanzetten en van de trein springen om hem gaan zoeken?

 

Het angstzweet brak hem uit. Hij voelde zich gloeiend heet van binnen. Zijn hart klopte in de keel. In de verte hoorde hij echter tot zijn verbazing het wegstervend geluid van een trein, zijn trein die niet ging stoppen. Dankbaar richtte hij zich op en ontdekte nu pas hoe koud en stil het was in de nacht en hoe pijn zijn ene been deed.

 

In het beetje maanlicht zag hij hoe een open wond aan zijn rechterknie de sneeuw rood kleurde. Snel zocht hij de schone zakdoek die Anneke hem ’s morgens nog mee had kunnen geven, bond zijn wond af, waardoor het bloeden ophield. Gelukkig kon hij nog op zijn been staan en zelfs lopen en was dit niet gebroken.

 

Maar waar was hij eigenlijk? Hij keek om zich heen maar zag niets dan alleen de maan en een paar sterren. Moeizaam sleepte hij zich omhoog op de spoordijk om verderweg te kunnen kijken en zag aan de andere kant in de verte een klein lichtje, het leek wel van een boerderij. Maar hij twijfelde en aarzelde. In welk land was hij uit de trein gesprongen? Woonden in die boerderij Nederlanders of vijandige Duitsers die hem ogenblikkelijk opnieuw door de Gestapo zouden laten arresteren?

 

Toch besloot hij naar het licht toe te lopen en hulp te zoeken. Hij kon toch hier niet in de sneeuw blijven liggen en maar langzaam doodgaan van de kou. Het was een moeizame tocht door de hoge lagen sneeuw in de weilanden, maar langzaam maar zeker kwam hij dichterbij. Wat zou hij kunnen zien door het raampje waaruit het licht scheen? Weer klopte zijn hart in zijn keel. Wie zaten er bij dat lichtje achter het raam. De laatste meters naar de boerderij kroop hij op zijn buik over de grond om niet gezien te worden. Hoorde hij daar niet orgelmuziek en zingende  kinderstemmen. Zou hij wel door het raam durven kijken? Zou hij zich willen laten zien door de mensen in die boerderij? Een ogenblik aarzelde hij, maar toen stak hij zijn hoofd omhoog en keek naar binnen. Wat hij toen en daar zag, deed zijn adem stokken en zou hij zijn verdere leven niet meer vergeten. Zijn mond viel open van verbazing. Neen dit was niet waar, dit was niet te geloven, want hij zag ….. achter het raam ….. een gezin met drie kinderen van ….. Johan, zijn zwager, de broer van zijn vrouw Anneke, die een boerderij had in de buurt van Oldenzaal. Nooit had Henk hiervan kunnen dromen. Hij was gered, hij was bij familie terechtgekomen, na die rampzalige treindeportatie, die zeker tot zijn uiteindelijke dood had geleid. In complete verwarring en opwinding klopte Henk nerveus en bibberend op het raam en zag de drie kinderen verschrikt naar hem kijken. “Johan, Johan” riep hij, “ik ben het Henk, Henk uit Deventer”.

 

Het werd een gekke avond. Henk moest iedere keer opnieuw aan de nieuwsgierige kinderen vertellen hoe zijn bewaker in de trein zijn batterijlampje had neergelegd en Henk op dat moment uit de rijdende trein naar de vrijheid was gesprongen en hoe hij ontsnapt was aan de mitrailleursoldaten met het zoeklicht op de laatste wagon. Het werd een avond met schone kleren voor Henk, met warme chocolade melk en kerstbrood, een avond vol verwondering en dankbaarheid, een echte avond van het licht, één om nooit te vergeten, een avond om echt Kerstfeest te vieren, het feest van vrede, liefde en geluk.

 

= = = =

  F.O. dec 1999 geschreven voor brugklassers van het Amstelveen College

 

terug