Joris de Sterke
 

                                

 

                Een kerstvertelling voor jong en oud.

 

In een klein dorp genaamd Akel,dat gelegen lag aan de rivier de Luna, woonde een gemeenschap die zich voornamelijk bezig hield met het bewerken van hout. Zij maakten meubelen en kleine boten. Deze boten werden gebruikt door de vissers van de omliggende dorpen die hun vis uit de Luna ophaalden. Niet ver van het dorp, landinwaarts, lagen de heuvels en bergen die begroeid waren met diverse boomsoorten. De houthakkers uit het dorp Akel kapten de bomen, welke in de houtzagerij tot bruikbaar hout werden gezaagd.

 

Eén van de houthakkers, Joris genaamd, waar dit verhaaltje over gaat, was enorm sterk. In zijn eentje hakte hij de grootste bomen om. Hij was trots op zijn kracht en vaardigheid. De mensen in het dorp en omliggende plaatsen deden regelmatig een beroep op hem om zware klussen te verrichten. Joris was populair en werd zowel bewonderd als gevreesd om zijn kracht. In de winter werd er nauwelijks gewerkt in de bossen. De winters konden zeer streng zijn en vaak was de rivier bevroren. Het meeste werk gebeurde in de houtzagerij of thuis.

 

Tegen de avond kwamen de mannen naar het dorpshuis waar ze onder het genot van een drankje hun zelfgemaakte pijpjes rookten. Plotseling ging de deur van het dorpshuis open. Dit gebeurde met zoveel opgewondenheid dat alle gezichten verstrikt opkeken. De koster van het plaatselijke kerkje, dat net buiten het dorp lag, rende naar binnen alsof de duvel hem op de hielen zat. Nadat hij enigszins bekomen was en een drankje in zijn keelgat had gegoten vertelde hij zijn angstaanjagend verhaal aan de nieuwsgierige gezichten. Die middag had hij zich naar het kerkje begeven om de nodige voorbereidingen te treffen voor de kerstviering. Opgegaan in zijn werkzaamheden was hij de tijd vergeten om voordat de duisternis zou intreden te vertrekken. Er was namelijk een groot bijgeloof dat heerste in het dorp en de omgeving. Men zei dat het onveilig was als het daglicht overging in de avond zich op te houden bij het kerkje waar ook het kerkhof lag. Daar konden kwade geesten rondspoken op zoek bij de doden om hun ziel te vangen.

 

Dus niemand begaf zich meer in de buurt van het kerkje na de avondschemering. De koster werd zich tijdens zijn werkzaamheden bewust van de invallende avondschemering en wilde zo spoedig mogelijk weg. Ineens werd hij opgeschrikt door een hevig en angstig gejammer en gekerm,dat enigszins gesmoord werd door de opkomende wind. Zo snel zijn benen hem konden dragen rende hij het kerkje uit. Hij was er van overtuigd dat een kwade geest hem een loer wilde raaien. De mannen in het dorpshuis,waar inmiddels ook enkele vrouwen en kinderen binnen waren gelopen,werden door dit verhaal in hun bijgeloof gesterkt. Enigszins bekomen van de schrik herinnerde de koster dat hij de deur van het kerkje niet had afgesloten en dat het vuur in de openhaard nog brandde. Met de opkomende wind zou er best wel eens brand kunnen ontstaan, zo concludeerde hij. Wat moest er nu gebeuren?

 

De bakkersvrouw zei:”We kunnen Joris sturen om het vuur te doven,hij is sterk en niet bang. In dit laatste had zij zich vergist,maar dat kon niemand weten. Diep in Joris hart kende hij een angst voor alles wat hij niet kon zien doch wel vermoeden. De koster ging met enkele mannen naar het huisje van Joris. Zij troffen hem aan terwijl hij bezig was een stevige maaltijd te verorberen. Nadat de koster hem had verteld wat er gebeurd was en hem vroeg om naar het kerkje te gaan, voelde Joris zich erg ongemakkelijk worden. Maar hij liet niets blijken. Nog nooit had hij iemand iets geweigerd als deze hem om hulp vroegen, alhoewel in dit geval……….Toch stemde hij aarzelend toe om geen gezichtverlies te hebben.

 

Buiten het dorpje aangekomen was de wind in hevigheid toegenomen. Op dat moment overviel Joris een gevoel van angst. Deze was zo hevig dat zijn benen loodzwaar werden. Hij zette zich neder op een grote kei die naast het pad lag. Nog nooit had hij zich zo ellendig gevoeld. De maan leek hem ironisch toe te lachen. Zo zat Joris enige tijd in zijn angst verzonken waardoor hij niet zag dat iemand hem op het pad naderde. Toen deze halt hield bij Joris schrok hij op. Bij het licht van de maan zag hij tot zijn opluchting dat het Sofia was. Zij woonde in een hutje aan de rand van de heuvels en was op weg daar naar toe. Ze droeg een pakket bij zich dat gevuld was met materialen voor het vervaardigen van kaarsen. Deze werden verkocht  in de dorpen zodat zij genoeg verdiende om in leven te kunnen blijven.

 

Ondanks haar armoede sprak er vreugde en liefelijkheid uit haar ogen. Ze vroeg hem wat er aan de hand was. Joris die al zijn stoerheid had afgedaan vertelde het verhaal en de missie die hij moest uitvoeren. Sofia dacht even na en zei: ”daar wonen helmaal geen kwade geesten maar Janus de Stomme! Joris vroeg: ”wie is dat dan wel”? Ze vertelde hem dat Janus in een hol onder de grond woonde vlak bij het kerkje omdat hij zich schaamde voor zijn stomheid. Gebruik makend van het bijgeloof van de mensen had hij zich deze woonruimte bij het kerkje verschaft om zo min mogelijk gezien te worden. Alleen zij was ervan op de hoogte. Janus kwam  iedere week bij haar op bezoek voor kaarsen en dan dronk hij een kopje warme melk met haar samen. “Er moet iets gebeurd zijn, laten we gauw gaan kijken”,zei Sofia.

 

Joris aangemoedigd door de helderheid van Sofia,stond op en samen snelden zij zich richting kerkje. Het bleek al gauw dat Janus in moeilijkheden verkeerde,de ingang van het hol was ingestort. Door een klein gaatje dat hij had kunnen maken kermde hij om hulp. Joris geheel in zijn element, begon de ingestorte ingang te ontruimen. Ondanks zijn schuwheid was Janus dankbaar uit zijn benarde positie bevrijd te zijn. Gelukkig was Janus,op enkele schrammen na en een hevige schrik van verdere letsels bespaard gebleven. Na de bevrijding van Janus nodigde Sofia hen uit om samen naar haar hutje te gaan om een kom warme soep en wat brood te eten. Voor zij vertrokken naar het hutje ging Joris nog even naar het kerkje. Daar zag hij dat het vuur gedoofd was, blijkbaar door de wind. Hij sloot de kerkdeur en samen gingen zij op weg naar het hutje. In het hutje aangekomen stak Sofia enkele kaarsen,stookte het vuur op zodat de ketel met soep kon worden verwarmd en tevens het hutje. Ze plaatsen zich om een éénvoudige houten tafel. Sofia brak het brood in een paar flinke stukken en deed de inmiddels warme soep in de kommen. In een vertrouwde zwijgzaamheid slurpten de mannen hun soep en doopten af en toe hun brood in de kom. Doch deze kerstnacht had nog meer in petto! Er werd op de deur geklopt .De drie mensen in het vertrek keken enigszins verbaasd op.

 

Sofia stond op en deed de deur open. Er stond een jonge man voor de deur en hij vroeg of hij binnen mocht komen. “Natuurlijk “,zei Sofia. In het heldere kaarslicht werd de  jongeman zichtbaar .Hij droeg een grove wollen mantel die bijna zijn gehele lichaam bedekte. Zijn mantel was bedekt met kleine sneeuwvlokjes. Door de warmte in het hutje smolten deze sneeuwvlokjes tot waterdruppeltjes die in het kaarslicht leken als kleine diamantjes. Sofia nodigde hem uit aan tafel, schonk hem een kom soep in en brak een stuk brood voor hem af. Nadat hij met smaak gegeten had kon Joris zijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen en vroeg wie hij was en waar hij vandaan kwam. De jongeman hulde zich enige tijd in stilte en begon daarna op milde toon te spreken:”Ik kom van ver en woon toch dichtbij. Ieder jaar rond deze tijd onderneem ik deze reis en passeer  ook deze weg. Ik plant zaden van Licht in de aarde en in ieder mensenhart. De aarde verzorgt deze goed gezien het resultaat in het voorjaar en de opbrengst in de herfst. Helaas, in de meeste mensenharten hebben zij moeite met het ontkiemen daar deze gesmoord worden door onwetendheid en onbegrip. Maar zij die de wijsheid van de aarde begrijpen weten ook hoe zij voor de zaden van het Licht kunnen  zorgen en deze tot wasdom te brengen. Gelukkig worden steeds meer mensenharten gewekt en tot rijpheid gebracht. Ieder jaar keer ik terug totdat alle mensenharten gewekt zijn om het Licht te ontvangen”. Al werden de woorden niet geheel begrepen door de andere aanwezigen,een diep gevoel van ontzag en vrede stroomden door hun harten. In deze vrede bleven zij enige tijd verzonken. De jongeman stond op en zei: ”Ik moet nu gaan er is nog veel werk te doen”.

 

Bij de deur aangekomen draaide hij zich om en keek met veel liefde naar de drie mensen aan de tafel. Joris die diep geroerd werd in zijn wezen, vroeg de jongeman of hij hem mocht vergezellen. “Helaas”,zei de jongeman, dat kan niet, je hebt hier nog veel werk te doen. Je kracht en vaardigheid kunnen hier nog niet gemist worden. Vertel de mensen dat hun bijgeloof omtrent het kerkje niet juist is. Zeg hun dat de zaden van Licht in hun harten goed verzorgd dienen te worden, dat Licht zal  alle onwetendheid en onbegrip verdelgen. Sofia zal je daarbij helpen,want haar wijsheid is groot.” En tot Sofia zei hij :”Al wat je met je handen zult aanraken zal genezen worden”. Zich richtend tot Janus,:” Als je de moed kunt vinden in jezelf om morgen naar het kerkje te gaan voor de kerstviering zal je genezen worden van je stomheid die je bij de geboorte verkregen had. Blijf enige tijd bij Joris en leer van zijn moed,want je hart is goed maar heeft nog kracht nodig om te sterken”. Daarop verliet de jongeman het huisje.

 

Een geur van bloemen vulde de ruimte en er heerste een diepe vrede. De eerst zonnestralen verlichte het kleine raampje in het hutje en kondigde een nieuwe dag aan. De drie mensen aan tafel voelde geen vermoeidheid, maar een gelukzaligheid die niet van deze wereld was. In zwijgzaamheid namen ze een ontbijt en maakten zich klaar om naar het kerkje te gaan, voor het kerstfeest dat die morgen daar gevierd werd. Het begon zachtjes te sneeuwen toen zij gezamenlijk op weg gingen.

 

                                                    

                                                            Geschreven door Diana van Doorn. -1984-

                                                                                        

 

 

terug